Nieuwsoverzicht

Van pioneren tot profileren

8 juni 2026
De eerste jaren

‘Ik ben Rob Bransz. Ik was de eerste secretaris-directeur van het IOR, het Intergemeentelijk Overlegorgaan Rivierenland.’

Rob was een van de drie mensen die als pionier onze ambtelijke organisatie neerzette. In de jaren tachtig waren gemeenten te klein om sommige taken zelfstandig uit te voeren en in onze organisatie gingen ze samenwerken. Tiel had zo’n 30.000 inwoners en dat was toen de grootste gemeente. 

‘Er bestond al een intergemeentelijk overlegorgaan, maar het woord ‘overleg’ verdween al snel uit de naam. Niet omdat er minder werd overlegd, maar omdat het tijd werd voor dóen. Het IOR (later Regio Rivierenland genoemd) werd de plek waar steeds meer regionale taken een organisatorisch thuis kregen. De sociale recherche was één van de eerste, gevolgd door de regionale brandweer, de GGD en later de AVRI. Het was een voortdurend proces van nieuwe verantwoordelijkheden oppakken en die stevig organiseren. En soms werden die taken later weer een zelfstandige gemeenschappelijke regeling.

Want soms doe je als gemeente iets zelf, dicht bij huis. Andere keren geef je het bewust wat meer uit handen en doe je het samen. Die flexibiliteit is cruciaal en past ook helemaal bij Regio Rivierenland. Als je voortdurende verandering niet leuk vindt, kun je niet bij deze organisatie werken.

Het begin was klein, we startten met zijn drieën: Gert Urff, een sterk bestuurlijk-juridisch denker, Ada van Wijk (geen secretaresse, dat moet je vooral niet zeggen) en ikzelf. We kwamen alle drie van de gemeente Tiel en werden min of meer ‘geparachuteerd’ in het gebouw waar Regio Rivierenland nu nog steeds zit. We begonnen zelfs in dezelfde kamer als waar dit interview gehouden wordt.

Die eerste periode stond in het teken van opbouwen. Administratie inrichten, mensen aannemen, begrotingen maken, soms bijna op de achterkant van een luciferdoosje. We bouwden langzaam een netwerk op en leerden het bestuurlijke spel al doende. Ada zei later treffend: “Ik hou ervan om in een chaotische situatie te werken.” En ik organiseerde die chaos graag.’

Samenwerking

‘Samenwerking is de kern van het bestaan van Regio Rivierenland. Maar samenwerken lukt alleen als je elkaar iets gunt. Zonder gunnen geen vertrouwen en zonder vertrouwen geen echte samenwerking. Dan blijf je elkaar vooral ontkennen en tegenwerken.

Dat gunnen zie je terug in concrete keuzes. Mag de ene gemeente een bedrijventerrein ontwikkelen, ook als dat betekent dat een andere gemeente moet wachten? Soms wel, in de wetenschap dat de rollen een volgende keer omgedraaid zijn. Dat kan vastliggen in afspraken, maar vaak werkt het alleen als je elkaar vertrouwt.

Die samenwerking kreeg ook een menselijk gezicht. Ik herinner me een excursie naar een containerfabrikant. Burgemeesters en wethouders stapten samen in een busje om containers te bekijken inclusief het gescheiden afval dat er in zat. Het klinkt bijna komisch en dat was het ook. Maar juist dat samen lachen en meemaken zorgt voor chemie. En die chemie maakt dat bestuurders naar elkaar luisteren.’

Crisis

‘Een echte vuurproef voor de samenwerking kwam tijdens de hoogwaterperiode van 1995. De Waal stond extreem hoog en op meerdere plekken dreigden dijken te bezwijken. Kwelwater kwam omhoog, dijken verzwakten en het risico op verschuivingen nam toe. Als een dijk zou schuiven, zou een groot deel van de regio meters onder water komen te staan.

In die periode moesten Politie, Rijkswaterstaat, GGD, brandweer AVRI en bestuursdienst intensief samenwerken. Rijkswaterstaat bewaakte de ontwikkeling van de waterstanden en de mogelijke gevolgen daarvan. De politie zorgde voor de openbare orde bijvoorbeeld door wegen vrij te houden en de veiligheid in geëvacueerd gebied te handhaven, de regionale brandweer beheerde het zware materieel, de GGD keek naar kwetsbare groepen zoals verpleeghuizen en de AVRI ruimde op. Wij zorgden ervoor dat het bestuurlijke veld klopte, dat er op tijd samen keuzes werden gemaakt rondom evacuatie bijvoorbeeld. Ik mocht die operatie samen met mijn collega’s aansturen. Dat was spannend en indrukwekkend tegelijk. Het ging om ingewikkelde besluitvorming, om het samenspel van algemene en doelgroepgerichte communicatie en uitvoering waarin de samenwerking tussen veel partners onontbeerlijk was en dat allemaal tegelijk. Uiteindelijk is het goed afgelopen. De dijken hielden stand, al was het soms kantje boord.

We hadden gelukkig intern een sterk fundament, collega’s die goed samenwerkten. Die interne samenwerking maakte het mogelijk om extern overeind te blijven. Anders had het nooit gewerkt.’

Mijn band met Rivierenland

‘Ik kwam in 1980 in Tiel werken en ben hier blijven hangen. Mijn voeten zijn in de klei gezakt kan ik wel zeggen. Ik hou van de kleinschaligheid, het rauwe landschap en de nuchterheid van de mensen. Ik woon vlak bij de dijk en loop daar graag. 

Rivierenland is geen rustig gebied, maar het geeft me wel rust. Dat zit in het landschap maar ook in het karakter. Je kunt het gebied niet tot een openluchtmuseum maken. Het eigen karakter van het gebied door ontwikkelen, daar gaat het om. Ruimtelijke keuzes bepalen hoe Rivierenland er over tien of twintig jaar uitziet. De kunst is om te blijven vernieuwen mét behoud van karakter.

Wat ik bestuurders wil meegeven, is simpel: zoek elkaar op. Verwacht niet dat iedereen vanzelf samenwerkt, burgemeesters en wethouders zijn gekozen voor hun eigen gemeente. Accepteer dat en zoek vervolgens naar verbindingen. Want alleen zo blijft Rivierenland een regio waarin we elkaar versterken en hou je een stevig profiel naar Brussel, Den Haag of Arnhem.’